 |
auteurs / penproject 2006-07 
Koen Peeters
Koen Peeters (1959) bouwt sinds 1988 aan een uniek oeuvre binnen
de Nederlandse literatuur. Zijn debuutroman Conversaties met
K. zette meteen de toon door een aantal personages en thema's
aan te brengen die ook de rest van zijn werk zouden gaan bevolken
en bepalen. Het hoofdpersonage Robert Marchand - vaak Peeters'
alter ego genoemd - en zijn gesprekspartner K. leggen in die
roman al keuvelend een traject af langs een reeks Belgische
iconen zoals de Zoo van Antwerpen, het atomium, het Afrikamuseum.
De structuur van het boek is los: een verzameling anekdotes
en wetenswaardigheden. In zijn tweede boek Bezoek onze kelders
uit 1991 is de gesprekspartner de lezer. Die wordt door de verteller-gids
meegenomen op een rondleiding door de vijf kelders van een huis.
Aan elke kelder hangt een biografisch verhaal vast.
Deze twee eerste romans hebben als centrale vertelvorm 'het
gesprek': er wordt druk geconverseerd in de romans van Koen
Peeters. Dat motief zet zich in Peeters' oeuvre door tot op
de dag van vandaag. Het illustreert het thema van de moeizame
menselijke communicatie en van de (on)mogelijkheden van de taal.
De gesprekken bij Peeters balanceren op de grens tussen de stoplappen
en straffe verhalen van toogpraat en humanistisch-didactische
dialogen in de trant van Erasmus of Rousseau. De boeken van
Koen Peeters hebben steeds een verlichte encyclopedische inslag:
de lezer en gesprekspartner krijgt weetjes voorgeschoteld, historische
uitweidingen, flarden van een documentair discours. Je kan er
altijd iets van opsteken, maar je krijgt ze niet aaneengeregen
tot een wereldbeeld of een ideologie. Zoals in een encyclopedie,
blijft het een boeiende, leerrijke maar opzettelijk onsamenhangende
verzameling waaruit geen besluiten of syntheses vallen te trekken.
Verzamelen is een belangrijk leidmotief in het oeuvre van Peeters.
Erg duidelijk wordt dat gethematiseerd in zijn derde roman De
Postbode. Ook hier weer is het hoofdpersonage Robert Marchand,
ditmaal in de gedaante van een postbode die op zijn route stenen
verzamelt waarmee hij in zijn tuin een bizar bouwwerk optrekt.
Die hobby kan beschouwd worden als een metafoor voor Peeters'
schrijverschap: de auteur legt een parcours in de werkelijkheid
af en verzamelt onderweg ontmoetingen, anekdotes, gesprekken
om er vervolgens in een bewust kunstmatige beweging een literaire
tekst van te maken. Van bij het begin werd Koen Peeters omwille
van zijn fragmentarisme en bewuste artificialiteit bestempeld
als een postmoderne auteur. Toch is hij geenszins in de intellectuele
variant van die beweging te situeren: zijn habitat is niet die
van de grote theorieën, maar veeleer die van de banaliteit
en de oppervlakte.
Verzamelen wordt bij Peeters avontuurlijk: het is immers een
manier om een alternatieve ordening aan te brengen: willekeur
en doelmatigheid komen samen en er ontstaat een spoor in de
werkelijkheid dat daarvóór niet zichtbaar was.
Ook filatelie fungeert in Peeters' oeuvre op die manier als
een metafoor voor de pogingen van mensen en van de auteur om
creatief om te springen met trivia, met details, met de marge.
Coherentie is niet voorafgegeven, maar wordt door elk individu
naar eigen goeddunken aangebracht. Het oeuvre van Koen Peeters
suggereert dat ín en niet ónder de oppervlakte
de diepgang schuilt.
In zijn roman Het is niet ernstig, mon amour uit 1996 volgen
we een clubje jonge mannen die als Kuifjes via experimenten
en projecten trachten zin te geven aan de werkelijkheid. Het
clubje is daar niet écht mee bezig, het gaat om pseudo-wetenschap,
pseudo-kunst, pseudo-oplossingen: het is een ouderwets jongensclubje
dat aaneenhangt van toekomstdromen en experimenteerdrang. Maar
het boek vertrekt wel vanuit een ernstig, existentieel fundament:
een onzekerheid over de zinvolheid van het bestaan. Deze roman
tast de mogelijkheid af van een ironische levenshouding: zo'n
attitude werkt duidelijk wel voor de vriendschap, voor het wij-gevoel,
maar kan geen betekenissen, geen zin aanreiken. De ironie is
een kenmerkende toon voor Peeters' oeuvre. Ook omwille van die
distantie ten opzichte van de werkelijkheid wordt hij postmodern
genoemd. Toch is de ironie, die hij meesterlijk bedrijft, bij
Peeters niet vrijblijvend: ook de ironie zelf wordt geïroniseerd,
zodat er uiteindelijk toch een vorm van authenticiteit in Peeters'
werk schuilt: een betrokkenheid en optimisme.
In Bellevue/Schoonzicht uit 1997 dat Koen Peeters samen met
Kamiel Vanhole schreef, brengen de auteurs een veelzijdig portret
van Brussel. In al zijn romans tot dan toe, schreef Peeters
voort aan een portret van België, een land dat ook kan
worden opgevat als een Peetersiaanse verzameling dromen, monumenten,
herinneringen, anekdotes, personages. Ook in Acacialaan uit
2001 wordt België nogmaals onder de loupe genomen. Zowel
literaire grootheden als Louis Paul Boon als de psychopatische
volksvijand Marc Dutroux komen aan bod. In Mijnheer Sjamaan
uit 2004 worden wetenschap en bijgeloof tegenover elkaar uitgespeeld.
Koen Peeters is er de auteur niet naar om duidelijk stelling
te nemen in die tweestrijd: het hoofdthema is ook hier de zoektocht
naar zin, die voortdurend gedwarsboomd wordt door de hardnekkige
opmars van onzin.
In 2005 debuteerde Peeters ook succesvol als dichter met de
bundel Fijne Motoriek, met dezelfde mix van rhetoriek en anekdotiek
die zijn proza kenmerkt.
In 2007 verscheen van Koen Peeters de roman Grote Europese Roman.
Ondanks de hoogst ironische titel die een verwijzing is naar
de Great American Novel, is dit Peeters' minst ironische roman
tot nu toe. Twee verhalen worden door elkaar geweven, dat van
de zakenman Theo Marchand en dat van Robin, zijn ondergeschikte
die de opdracht krijgt om een Europees rapport op te stellen.
Vol goede moed begint Robin aan een reis langs de Europese hoofdsteden.
Hij schrijft aan twee rapporten tegelijk. Het ene is een officieel
rapport dat een lege doos is vol universele marketingterminologie.
Er bestaat een Europa van luchthavens, callcenters, hotelrecepties
en vergaderzalen, maar is dat de identiteit van dit continent?
Het tweede rapport is niet meer dan een schriftje vol losse
aantekeningen: zinnen die Robin hoort, vreemde woorden die hem
opvallen, toevallige ontmoetingen. Daar tekent zich een heel
ander Europa af - en het schriftje lijkt erg op de roman die
we lezen - een menselijk Europa van kleine gebeurtenissen en
verschillen, van nuance en detail. Taal en meertaligheid spelen
daarin een grote rol: Robin verzamelt woorden. Tenslotte komt
er uit het levensverhaal van Robins baas, Theo Marchand nog
een andere dimensie van de Europese identiteit naar voren: die
van de zwaar beladen Europese geschiedenis. In het verhaal 'Kleine
Europese roman' wordt Marchands levensverhaal uit de roman gelicht.
'De jongen zal rondreizen en op die manier tijdelijk verdwijnen'
is de vlag die Theo's leven voert (en die ook Robins onderneming
dekt). Zowel voor Theo als voor Robin biedt de Europese talenfamilie
een alternatieve stamboom die als houvast fungeert, die hen
wortelt in een gemeenschap.
Grote Europese roman is een ongemeen rijk, betrokken en ontroerend
boek, dat zowel heel klein en banaal als groots en betekenisvol
is. Koen Peeters verruimt met dit boek zijn schrijvershorizon:
hij vaart Europese wateren binnen.
others
information: bibliografia,
works, interviews, extra
|